Justitieminister Jo Vandeurzen zet een glazen stolp over de samenleving

Print deze pagina

10/04/2008

De minister van Justitie Jo Vandeurzen (CD&V) heeft zopas zijn beleidsplan uit de doeken gedaan. Voor wat betreft het drugsbeleid wil hij het gedoogbeleid van paars verder terugschroeven: “Wie voortaan een joint opsteekt, kan worden vervolgd”

Mooi is dat! Door de dubbelzinnige, onvolledige en inconsistente communicatie over het overheidsbeleid inzake cannabis, én door het bijzonder slechte wetgevende werk terzake, heerste op het terrein (onder magistraten, politie, hulpverleners, preventiewerkers, opvoeders, ouders en burgers) gedurende jaren verwarring, rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid.

En nu de mist stilaan opgetrokken scheen, verklaart de minister doodleuk dat hij weer de andere  kant wil opvaren. In de communicatiewetenschap geldt het adagium dat als politieke actoren niet volledig, feitelijk en consistent communiceren, zij de facto elke burger aansporen om het beleid op zijn of haar manier te interpreteren. Het is een perfecte illustratie hoe wetenschappelijke bevindingen weinig of geen impact hebben op de waardegebonden keuzes die beleidsmakers maken.

Bovendien schijnen maar weinigen in dit land te begrijpen dat na veertig jaar repressief beleid de resultaten inzake cannabis niet echt overtuigend zijn: het aanbod is niet teruggeschroefd, de prijs niet hoog gehouden, het aantal gebruikers niet gereduceerd, en de sterkte en de kwaliteit van het product niet manipuleerbaar
gebleken.

Achter een repressief beleid, gestoeld op bepalingen in het strafrecht, schuilt de idee van de glazen stolp. Als ze maar zwaar genoeg is, kun je het gebruik van roesmiddelen in onze samenleving tegenhouden. De zware prijs die voor het repressieve beleid van deze minister zal worden betaald, is de nog moeilijke interactie met alle mensen die roesmiddelen gebruiken. Zo’n beleid creëert een taboe, en belet dat problematische vormen van roesmiddelengebruik tijdig worden gedetecteerd. Bijgevolg vergroot het risico dat gebruikers het kind met het badwater weggooien, en dus de – overigens geheel terechte – waarschuwing voor de gevaren van overmatig roesmiddelengebruik negeren, omdat zij het cannabisbeleid weinig geloofwaardig vinden.

Ook voor wat betreft het cannabisaanbod kiest de minister voor een versterkt repressief beleid. Naar het voorbeeld van de Nederlandse aanpak van de laatste jaren wil hij intensievere samenwerking met elektriciteitsleveranciers en - netwerkbeheerders, doorrechercheren naar de opdrachtgevers, en intensievere internationale samenwerking tegen de cannabisproductie en het drugstoerisme. Dat begin december 2007 in Gent op een tweelandenconferentie over ‘Cannabisteelt in de lage landen’ verschillende wetenschappers uit België en Nederland (en niet de minste) zijn komen getuigen dat die aanpak niet heeft gewerkt, en bovendien onbedoelde neveneffecten heeft gehad, is hem wellicht ontgaan.

Ik som er een paar op, mijnheer de minister, bij wijze van voorspelling: uw versterkte repressieve aanpak zal ook in België de cannabisteelt enigszins doen verschuiven, maar de criminele organisatie én de criminaliteit in de economische sector van de cannabisproductie zullen alleen maar toenemen. Uw beleid zal leiden tot een nieuwe reeks van innovaties in productietechnisch en organisatorisch opzicht. De huidige cannabissector kan uw beleid gemakkelijk aan, ze vaart er zelfs wel bij. En bovenal: de sterkte en de kwaliteit van het product zullen nog minder beheersbaar blijken te zijn, met alle gevolgen van dien voor de volksgezondheid.

De gretigheid waarmee politici en hun adviseurs afdoende remedies tegen het kwaad blijven propageren voedt onzinnige illusies. Het is nochtans de plicht van een politicus om context te creëren en duidelijk te maken dat de dingen veel complexer zijn dan we graag horen. De politicus kan er niet voor zorgen dat mensen geen roesmiddelen meer zullen gebruiken, of dat sommigen niet meer in de problemen zullen komen. Hooguit kan de politicus de omgevingsfactoren beïnvloeden en het risico enigszins beperken, maar dat is het dan ook. Wie de verwachting wekt dat veel meer mogelijk is, flirt met populisme en is per definitie ongeloofwaardig op langere termijn.

 

De Morgen, 10 april 2008