09/10/2008
Universiteit Antwerpen - Academische opening van opleiding ‘Levensbeschouwing, Overheid en Samenleving’
Toespraak van de Minister Jo Vandeurzen
Het overleg tussen confessionele en niet- confessionele levensbeschouwingen en overheid is aan de orde in de meeste Europese landen. Dat is sterk uit de uiteenzetting van professor Robbers gebleken. Ook het verdrag van Lissabon geeft het belang van voortdurend overleg aan. Artikel 17 van de geconsolideerde versie van het EU- Verdrag zegt dat de Europese Unie een regelmatige dialoog voert met de kerken en religieuze organisaties, met inachtneming van hun identiteit en specifieke bijdrage.
In België bestaat van oudsher het systeem dat de religies voor die bijdrage vergoed worden. Artikel 181 van de Grondwet zegt dat de wedden en de pensioenen van de bedienaren van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de niet-confessionele levensbeschouwing ten laste zijn van de Staat. Daarmee zegt de overheid dat de erediensten en de niet-confessionele levensbeschouwingen beantwoorden aan een maatschappelijke behoefte. En dat ze die wil beschermen, ze wil ondersteunen. Daarmee zegt de overheid dat de eredienst of de niet-confessionele beschouwing een maatschappelijke waarde heeft, namelijk, als dienst aan de gemeenschap.
De maatschappelijke waarde van de eredienst voor de bevolking in een pluralistische samenleving is veelzijdig. Gelovigen kunnen hun liturgische gebruiken in ere houden. En er is de belangrijke geestelijke bijstand. Die heeft zowel een maatschappelijke als een religieuze dimensie en concretiseert zich in hulp bieden aan personen die geestelijk in nood zijn of op zoek zijn naar religieuze zingeving, met bijzondere aandacht voor jongeren, zieken, ouderen, en alle zwakken in de samenleving. Lekenhelpers werken samen met de bedienaars aan dit maatschappelijk dienstbetoon en geven zo het middenveld van onze samenleving mee vorm. Het is geen toeval dat de criteria voor de erkenning van een eredienst of geloofsovertuiging hiermee te maken hebben.
In mijn uiteenzetting wil ik ingaan op het overleg in België zoals het is en zoals het zou kunnen worden.
Eerst hoe het is. De overlegmomenten tussen de erediensten en de overheid zijn jarenlang beperkt gebleven tot ontmoetingen tussen de vertegenwoordigers van de erkende erediensten en de bevoegde administratie van het federale ministerie van Justitie. Die gingen over zeer concrete dossiers, bijvoorbeeld over het “personeelskader”.
Deze vorm van inspraak van de godsdienstige gemeenschappen in de eredienstwetgeving en de uitvoering ervan, is een wezenlijk en traditioneel element in de Kerk- Staatverhouding en is vrijwel ingebakken in het constitutioneelrechtelijke regime.
Bepaalde erediensten kunnen op verzoek worden erkend door de overheid, om historische redenen, zoals de katholieke, de protestantse en de Israëlitische eredienst. Erediensten kunnen ook worden erkend als ze beantwoorden aan de criteria die zijn vastgelegd door de administratieve jurisprudentie. De erkenning van een eredienst gebeurt altijd via een federale wet.
Uiteraard was er ook overleg tussen andere federale ministers en hun administraties en de vertegenwoordigers van de erkende erediensten, maar altijd met betrekking tot aangelegenheden die de betrokken eredienst aanbelangden, bijvoorbeeld het onderwijs. Door de regionalisering van het onderwijs gingen de vertegenwoordigers van de erkende erediensten vertrouwd ook overleggen met de gemeenschappen.
Met een grondige aanpassing, meer bepaald door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten, kwam er aan de bestaande overlegstructuur op federaal niveau een einde. Zo werden bijvoorbeeld de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten aan de bevoegdheid van de gewesten toegewezen. Wel met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars.
Ook op federaal niveau werd een inspanning gedaan om de dialoog en het overleg met de erkende erediensten en de levensbeschouwingen te activeren.
Mijn voorgangster, Mevrouw Onkelinx, belastte in 2005 een Commissie van Wijzen met het onderzoek van het statuut van de bedienaars van de erkende erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. Deze Commissie heeft na onderzoek van de grondwettelijke beginselen de vertegenwoordigers van alle erkende erediensten en van de georganiseerde vrijzinnigheid gehoord. De resultaten van dit onderzoek en van deze hoorzittingen zijn gebundeld in het verslag van voormelde Commissie.
Ter opvolging van dit rapport gaf de ministerraad van 20 maart 2008 een werkgroep Beleidscoördinatie de opdracht om in het kader van een globaal debat, en rekening houdend met alle erkende religies en levensbeschouwelijke organisaties, een definitieve regeling te vinden voor het statuut van zowel de religies als de levensbeschouwelijke organisaties. Tegelijk zal de werkgroep een definitieve oplossing moeten voorstellen voor de vergoeding van de bedienaars van de erediensten. Uiteraard zullen de betrokken levensbeschouwingen op regelmatige tijdstippen worden ingelicht over de werkzaamheden en zal hun inbreng gewaardeerd worden.
Ook de vertegenwoordigers van de niet-erkende erediensten en andere in ons land aanwezige levensbeschouwingen kunnen contact opnemen met de bevoegde politieke en administratieve overheden. Ook zij hebben de kans om de voor hen relevante dossiers te bespreken. Dat kan gaan over de toekenning van het statuut van erkende eredienst (zoals het geval is nu voor het Boeddhisme), het kan gaan over de vrijstelling van onroerende voorheffing voor bepaalde gebouwen, de inreisvisa voor de bedienaars van de mormoonse eredienst,…
Toch is er tot vandaag maar weinig gestructureerd overleg tussen de in ons land aanwezige levensbeschouwingen en de (federale of regionale) overheid. Er zijn wel occasionele overlegmomenten tussen de vertegenwoordigers van de erkende erediensten en de federale en regionale overheid, doorgaans naar aanleiding van concrete dossiers. Ik ben van mening dat deze inspraak een essentieel element is in de verhouding tussen overheid en levensbeschouwingen en religies.
Bij het overleg tussen de verschillende religies en levensbeschouwingen moet de overheid ook rekening houden met de specifieke verschillen tussen haar gesprekspartners en hun specifieke problemen.
Zo heeft in het bijzonder, ik zou zelfs durven zeggen uitsluitend, de katholieke eredienst te kampen met een schrijnend tekort aan bedienaars van de eredienst, wat op termijn enkel maar zal verergeren als we vaststellen dat in verschillende bisdommen het aantal roepingen tot nul is herleid, en de gemiddelde leeftijd van de huidige bedienaars de wettelijke pensioenleeftijd benadert. Een wettelijk statuut voor de niet-gewijde bedienaars van de katholieke eredienst, de zogenaamde parochieassistenten, was een eerste stap om de ergste nood te lenigen, maar is onvoldoende om zelfs nog maar de natuurlijke afvloeiing op te vangen.
Enige cijfers die dit verduidelijken:
Het theoretische kader van de bedienaars is officieel vrijwel niet geëvolueerd sinds 2000. De reële invulling van het kader laat een heel ander beeld zien. Daaruit blijkt dat het aantal fysieke personen in 8 jaar afgenomen is met 730 eenheden, ondanks de benoeming van om en bij de 271 parochieassistenten. Dezelfde vermindering kan worden vastgesteld voor de voltijdse equivalenten. Tussen 2000 en vandaag stellen we een vermindering vast van 676 voltijdse equivalenten.
Een heel ander probleem doet zich voor bij de islam, en wel op het gebied van één van de essentiële punten van de voorwaarden voor erkenning, met name dat een religie of levensbeschouwing gestructureerd moet zijn. Dat betekent dat er een representatief orgaan is dat de eredienst kan vertegenwoordigen in zijn betrekkingen met de burgerlijke overheid.
Gelet op de cijfers van de bedienaars van de katholieke eredienst, is reeds eind vorige eeuw gebleken dat de katholieke eredienst haar maatschappelijke functie niet meer ten volle kon vervullen wegens gebrek aan bedienaars. Het onevenwicht tussen het snel slinkend aantal bedienaars en de nog steeds aanzienlijke maatschappelijke relevantie van die eredienst heeft gemaakt dat er een daadwerkelijke maatschappelijke nood ontstond aan binnen de eredienst en in de traditie daarvan goed opgeleide leken.
Na enige aarzeling heeft de katholieke kerk, zich goed bewust van haar maatschappelijke rol, een modernere visie ontwikkeld op het bedienaarschap, en intern aanvaard dat ook er ook plaats en nood was voor niet-gewijde bedienaars.
In 1999 werd het Executief van de Moslims van België, kortweg de Moslimexecutieve, erkend als representatief orgaan voor de moslimgemeenschap en officiële gesprekspartner met de overheden. De executieve kreeg een voorlopige subsidie, die haar moest toelaten om een degelijke, werkbare structuur op te zetten. Sinds 1999 bedroeg deze subsidie gemiddeld 630.000 € per jaar. De subsidie bedroeg de jongste jaren gevoelig meer dan dit gemiddelde.
De leden van de Moslimexecutieve worden verkozen door een algemene raad, die op zijn beurt verkozen wordt door de moslims. Maar interne verdeeldheid binnen de moslimgemeenschap tussen moslims van Marokkaanse en Turkse origine domineert zeer eilaas het debat. Deze verdeeldheid affecteert ook de moslimexecutieve. Financieel wanbeheer, gerechtelijke onderzoeken en interne twisten zijn een rode draad in het bestaan van de Executieve.
Begin 2008 hebben we beslist de subsidie te schorsen. Ook hebben we de Moslimexecutieve duidelijk laten verstaan dat ze orde op zaken moest stellen, een duidelijke missie voorop moest stellen en een toekomstvisie moest ontwikkelen. De Moslimexecutieve moet in de zeer nabije toekomst in staat zijn om zelf in te staan voor haar financiering, net zoals andere godsdiensten. Dit denkproces en de transformatie die we als overheid verwachten, worden uitgewerkt met vertegenwoordigers van de beleidscel justitie. Op korte termijn moet deze financiële onafhankelijkheid ook voor de moslimgemeenschap een waarborg betekenen voor de scheiding tussen Staat en godsdienst.
Hoe dan ook, en ook al is het soms moeilijk werken, we moeten er ons rekenschap van geven dat een multiculturele samenleving spanningen oplevert, spanningen die we moeten trachten te benaderen als uitdagingen in plaats van als problemen. Engelse onderzoekers formuleerden het zo: de plaats van de religie in de samenleving mag geen probleem zijn, het moet deel uitmaken van de oplossing. Levensbeschouwelijke groepen kunnen een wezenlijke bijdrage leveren tot de sociale cohesie en om deze cohesie te realiseren is overleg een nuttig hulpmiddel. Maar de twee spelers van dit overleg moeten dan als gelijkwaardige partners aan dit overleg deelnemen.
Om het overleg in de toekomst de beste kansen te geven, lijkt het ons raadzaam om dit op drie niveaus te ontwikkelen, namelijk op federaal, regionaal en lokaal vlak.
Daarbij lijkt het ons aangewezen de bestaande werkwijze te bestendigen: een vertegenwoordiger van een erkende of niet-erkende eredienst of levensbeschouwing neemt individueel contact op met de bevoegde administratie om concrete dossiers te bespreken. Het initiatief tot overleg kan uiteraard ook uitgaan van de federale of regionale overheid of administratie.
Tegelijk staat het de federale of regionale overheid vrij de vertegenwoordigers van de verschillende erkende erediensten uit te nodigen voor overleg over materies die alle erediensten aanbelangen.
Naast deze vormen van overleg, wordt ook een ruimere dialoog tussen overheid en erediensten verdedigd. De recent gecreëerde Raad van Religieuze Leiders wil die link naar de overheid maken. Zo wil hij maatschappelijk relevante thema’s ter sprake te brengen.
Religies moeten kunnen aanwezig zijn op het publieke forum. En een dialoog tussen levensbeschouwingen, overheid en samenleving is zeer verrijkend. We zijn daarom voorstander van ruimer gestructureerd overleg dat de levensbeschouwingen dan zelf voort aanpakken.
De overheid mag en wil de levensbeschouwingen vooral niet instrumentaliseren. Ze gaat met andere woorden een ruimer overleg met de verschillende levensbeschouwelijke groepen niet eigenmachtig organiseren. Dit vloeit voort uit de toepassing van het neutraliteitsbeginsel en is een bevestiging van het principe van de scheiding van Kerk en Staat. Daarenboven zal de overheid er nooit in slagen om een ruimer overlegorgaan samen te stellen als dat niet gedragen wordt door de levensbeschouwingen zelf. Want enerzijds moet de overheid gesprekspartners hebben, anderzijds kan ze onmogelijk zelf gaan bepalen wie welke levensbeschouwing moet vertegenwoordigen.
De vraag dan, is hoe die verschillende gesprekspartners te vinden. Daar kunnen de intra- en de interreligieuze dialoog toe bijdragen. Dat intra- en interreligieuze overleg moet op lokaal (gemeentelijk, stedelijk, provinciaal), regionaal en federaal vlak gevoerd worden. En het initiatief daartoe moet uitgaan van de levensbeschouwingen zelf.
In die zin pleitte de huidige eerste Minister Yves Leterme eerder al voor de oprichting van een platform waarop levensbeschouwingen en het middenveld elkaar ontmoeten en in gesprek gaan over alle grote morele, ethische en sociale vragen van de samenleving. Hij noemde het zelfs een soort vierde staatskracht met een adviserende en verkennende dialoogbevoegdheid.
Geleidelijk aan kan op die manier een interreligieus platform of een raad ontstaan. Het is dan van groot belang dat de oprichting van zo’n overlegorgaan noch de juridische vormgeving ervan wordt geforceerd. We moeten erover waken dat dit interlevensbeschouwelijke platform of die interlevensbeschouwelijke raad voldoende onafhankelijk is in zijn relatie tot de overheid. Ook van belang is dat de verschillende levensbeschouwelijke groepen zich correct vertegenwoordigd weten, rekening houdend met hun omvang.
Eenmaal dit overleg van start kan gaan, kunnen we een werkwijze bepalen voor het overleg met de overheid. Voor de concretisering ervan kunnen de twaalf principes van de interculturele en interreligieuze dialoog door de Raad van Europa opgesteld ten behoeve van lokale entiteiten als inspiratiebron dienen. Ook kunnen we de richtlijnen voor de implementatie van de OVSE inzake religieuze vrijheid in aanmerking nemen.
Ondertussen waren er al voorbereidende regionale initiatieven. Zo werd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2004 een interlevensbeschouwelijk platform “Bruxelles Espérance” opgericht. Andere initiatieven die dit overleg tussen levensbeschouwingen en overheid ten goede komen, verdienen onze steun. Ook de oprichting van de hoger genoemde Raad van Religieuze Leiders is een belangrijk initiatief.
Verder is de oprichting van het Hoger Instituut voor Levensbeschouwing, Overheid en Samenleving (HILOS) dat in samenwerking met de vertegenwoordigers van de erkende erediensten studiewerk verricht en dossiers voorbereidt zeker lovenswaardig.
Ten slotte wil ik in dezelfde context de opleiding vermelden die georganiseerd wordt door het Centrum voor Migratie en Interculturele Studies (Universiteit Antwerpen) en het Internationaal Instituut Kanunnik Triest (Broeders van Liefde – Gent), en waarvan hier vandaag het tweede jaar start. Hier wordt gereflecteerd, over dit samenspel tussen overheid, samenleving en levensbeschouwing. Zo wordt duidelijk dat dit gestructureerde overleg tussen levensbeschouwingen en overheid “se construit au quotidien”.
Ik dank u.
Jo Vandeurzen