Europees congres: Ambulante begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik

Print deze pagina

18/09/2008

Geachte voorzitter,
Dames en heren,

Als één van de rapporteurs bij de Kamer van volksvertegenwoordigers over het ontwerp dat in 2000 de wet betreffende de bescherming van minderjarigen is geworden, heeft minister Vandeurzen ertoe bijgedragen dat uw werk nog complexer werd.

Zo werd hij echter ook één van de mensen die zich inzetten om stil te staan bij het maatschappelijk nut van gespecialiseerde diensten voor begeleiding en behandeling van daders van seksuele misdrijven. Het is op zich al enorm belangrijk dat deze diensten het initiatief hebben genomen om zich samen in te spannen om praktijken te vergelijken en te toetsen aan internationaal wetenschappelijk onderzoek.
 

Onlangs heeft de Raad van Europa een verdrag aangenomen inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Over dit verdrag van 25 oktober 2007 werd onderhandeld door de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid en het DG Wetgeving van ons departement. Momenteel loopt de bekrachtigingsprocedure. In artikel 7 is met name bepaald dat “each Party shall ensure that persons who fear that they might commit any of the offences established in accordance with this Convention may have access, where appropriate, to effective intervention programmes or measures designed to evaluate and prevent the risk of offences being committed”. Dit verdrag vormt enigszins een compensatie voor het niet-voltooide initiatief van de Raad van Europa met het oog op de goedkeuring van een aanbeveling betreffende de behandeling van daders van seksueel misbruik, dat helaas om budgettaire redenen officieel werd stopgezet.

Met de samenwerkingsakkoorden wordt beoogd te voorzien in specialistisch advies over het al dan niet nut van begeleiding of behandeling. Daarnaast verschaffen zij de organisatie een doeltreffend systeem voor begeleiding of behandeling door ervoor te zorgen dat degenen die baat kunnen hebben bij een dergelijke monitoring, daartoe worden aangespoord. Laat ons duidelijk zijn: de termen begeleiding en behandeling werden gekozen om het onderscheid te maken met een therapeutische aanpak waarbij alleen aan de patiënt verantwoording verschuldigd is.

De samenwerkingsakkoorden maken de weg vrij voor een driezijdige aanpak, waarbij zowel de dader van het misbruik als de maatschappij en het slachtoffer betrokken zijn. De dader van het misbruik wordt geholpen om zijn seksgerelateerde problemen te beheersen, de maatschappij voorziet in de nodige voorschriften over de informatie-uitwisseling, het beroepsgeheim en algemeen geldende rechten en verplichtingen, en het slachtoffer ten slotte uit zijn verwachtingen met betrekking tot de aan het beoogde resultaat verbonden morele verplichting: geen recidive.

Recidive is natuurlijk een cruciale kwestie die justitie overduidelijk bezighoudt. Nagaan of de behandelingen recidive in de praktijk echt verminderen is één vraag. Een andere, wetenschappelijk makkelijker meetbare vraag is of daarmee de doelstellingen worden bereikt waarvan in het kader van de behandelingen wordt gesteld dat zij de meeste kans op vermindering van recidive hebben. Als er bijgevolg wordt vanuit gegaan dat meer empathie met het slachtoffer bijdraagt aan minder recidive, moet er door metingen in het begin en bij het einde van de behandeling enige vooruitgang kunnen worden waargenomen bij het bereiken van deze doelstellingen. Mijn dienst heeft een onderzoek verricht naar de efficiëntie van gerechtelijke opleiding over seksuele misdrijven. Daarnaast is er nog het probleem dat daders soms verkiezen om hun straf volledig uit te zitten in plaats van één of andere vorm van monitoring te volgen.

De mensen achter deze conferentie zijn slim genoeg geweest om hun samenwerking niet te beperken tot de beheersing van de maatschappelijke reactie op seksuele misdrijven. Met name zijn eerste- en tweedelijnsdiensten hier belangrijk. Een maatschappelijk standpunt innemen is doorslaggevend, voor zover er duidelijk wordt gesteld dat bijvoorbeeld seksuele intenties naar kinderen toe niet kunnen. Daarom behandelt de Belgische wetgeving ook gevallen waarbij geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld door veroordeling van het loutere bezit van pornografische beelden van kinderen.
Vanuit een dergelijke algemene visie werd de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid belast met de evaluatie van wetten vanuit moreel standpunt, met name die welke belangrijk zijn voor minderjarigen. Deze evaluatie heeft geleid tot een belangrijk verslag dat op de website van deze dienst is gepubliceerd. Van het verslag moet nog een beleidsanalyse worden gemaakt.

Alleen al het feit dat de conferentie plaatsvindt met als thema “10 years of justice/health association in Belgium” toont aan dat het onderwerp geen taboe is en reeds ingang heeft gevonden. Justitie en gezondheid zijn inderdaad verenigd, maar met welk doel? Het cliché dat justitie staat voor repressie en dat de medische wetenschap daders vertroetelt als zieke patiënten is achterhaald. Zonder af te stappen van hun respectieve rol hebben justitie en gezondheid, in duidelijke bewoordingen, voorzien in een aantal essentiële waarden die zij zichzelf en elkaar opleggen. Zij hebben doelstellingen en functies aangegeven om deze waarden te verwezenlijken. Alles is vastgelegd in de samenwerkingsakkoorden. De samenwerkingsakkoorden tussen de Federale Overheidsdienst Justitie en de gemeenschappen moeten worden geëvalueerd en moeten worden aangepast aan de huidige wetgeving.

Er moet worden onderzocht of het platform moet worden verruimd tot een meer specifiek aanbod, afhankelijk van de aan daders van seksuele misdrijven verbonden specialisatie-eisen. Het is ook de vraag of het aanbod al dan niet moet worden uitgebreid tot erkende verblijfscentra voor deze doelgroep. Daartoe zal de minister van Justitie overleg plegen met de federale minister van Volksgezondheid en de bevoegde gemeenschapsministers.
Deze vraag rijst omdat sommigen vinden dat resocialisatie niet aan bod komt in de samenwerkingsakkoorden, net als de resocialisatie van minderjarigen die seksueel misbruik plegen. In het verleden heeft mijn dienst een researchproject gefinancierd met de naam “Risicotaxatie bij jeugdige plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag”, terwijl ook de vzw UPPL in dit verband op wetenschappelijk niveau heeft geïnvesteerd en de “Groupe Ados” in Brussel bezig is met een eigen experiment omtrent beheersing. Aangezien de aandacht van de minister vooral gaat naar de meer algemene problematiek van jonge daders, heb ik bovendien besloten om in februari of maart volgend jaar een conferentie te organiseren over dit niet-specifieke thema van seksuele misdrijven.
Een werkgroep zal heel binnenkort worden belast met het onderzoek van de aanbevelingen die voortvloeien uit de morele wetsevaluatie door de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid.
In de loop daarvan zal deze dienst een initiatief nemen om een methodologie voor de evaluatie van de samenwerkingsakkoorden voor te stellen, die vervolgens ter bespreking wordt voorgelegd aan de partners van de federale instanties. Eén van de punten die zeker aan bod moeten komen, is de niet-toepassing van artikel 9, 4°, betreffende het opstellen van een gezamenlijk model om gegevens voor wetenschappelijk onderzoek en beleidsevaluatie te registreren.

Onlangs kregen de meer ernstige aspecten van uw werk nog meer aandacht. In artikel 50 van de wet van 21 april 2007 betreffende internering is namelijk bepaald dat wanneer de strafuitvoeringsrechtbank het advies van de dienst of persoon die gespecialiseerd is in begeleiding of behandeling niet volgt, de rechtbank daarvoor een bijzondere reden moet hebben. Dezelfde wet gaat nog verder en wijzigt de wet betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden door in artikel 41 ervan dezelfde voorwaarde op te leggen.

Tot slot is de tijd nu rijp om de maatschappelijke beheersing van de problematiek van seksuele misdrijven op niet-emotionele wijze te onderzoeken. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd als onderdeel van de evaluatie door de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, maar ook op basis van een gezamenlijke evaluatie met de federale instanties.
Namens Jo Vandeurzen, mijn minister, dank ik u voor uw steun bij deze taak en wens ik u een heel geslaagde conferentie.