"Federale regering én de gemeenschappen kunnen op het stuk van jeugddelinquentie het verschil maken. Laten we dat doen."

Print deze pagina

03/11/2008

Geachte collega’s,
Dames en heren van de pers,
Geachte aanwezigen,

Ik herinner mij nog goed het weekend van 26-27 april 2008.  Het parket van Brussel maakte bekend dat het enkele jonge criminelen terug de straat had opgezet, omdat er geen plaats was in de gesloten jeugdcentra. Dit soort gebeurtenissen voedt een perceptie, en erg genoeg een realiteit van straffeloosheid.
 

Het zijn dieptepunten in de bestrijding van de jeugdcriminaliteit. Ze betekenen een ontmoediging van het geloof van de bevolking in een geloofwaardige strafuitvoering.

In de krant zei een Brussels parketmagistraat “dat het probleem al langer aansleepte, maar in dat weekend nog eens opnieuw pijnlijk duidelijk werd”.  De woordvoerder van het Brussels parket voegde eraan toe dat weekends waarin tien of meer minderjarigen worden voorgeleid meer regel dan uitzondering zijn. De directeur van het Centrum De Grubbe in Everberg zei tijdens een uitzending van Telefacts Crime op VTM dat “bijna elke dag een jeugdrechter de boodschap krijgt dat iemand niet terecht kan.”

In het voormelde weekend werd een dame van 79 geagresseerd en haar handtas afhandig gemaakt. De dame brak daarbij haar pols, schouder en heup. Op televisie vertelde ze haar verhaal: in een ziekenhuisbed. De minderjarige dader was geen onbekende voor het parket. Twee keer werd hij vrijgelaten bij gebrek aan plaats.

Niet alleen de feiten van dat weekend hebben mij ertoe aangezet structurele oplossingen te zoeken voor de fenomenen van de jeugdcriminaliteit dat veelzijdig is en aan belang wint.  Er was de mp3-moord op Joe van Holsbeeck, de dood van Bart Bonroy in Oostende, gestorven omwille van een sigaret. Er waren de moorden van Hans Van Themsche in Antwerpen, er was de jonge slagersgast die twee van zijn vrienden vermoordde, de jonge scholier Simon Wijffels die door twee vrienden werd neergestoken aan de schoolpoort, in Brussel bekampen jeugdbendes mekaar, … De daders worden jonger. Het aandeel zinloos geweld neemt toe. De samenleving moet hierop een antwoord hebben. Dat antwoord moet even veelzijdig zijn als de fenomenen inzake jeugdcriminaliteit. Maar een eerste stap, een eerste voorwaarde voor een geloofwaardige strafuitvoering is een capaciteitsuitbreiding. Die staat andere initiatieven niet in de weg. Integendeel, ze faciliteert ze.

De aanpak van jeugdcriminaliteit is niet alleen een verantwoordelijkheid van justitie, maar ook van de deelstaten, van ouders, van schoolbesturen, gemeentebesturen, ... Daarom is er alvast overleg geweest met Minister van de Vlaamse Gemeenschap Steven Vanackere, Minister van de Franse Gemeenschap Catherine Fonck en Minister- President van de Duitse Gemeenschap Bernd Gentges. Samen hebben we intussen een consistent kortetermijnplan om het plaatsgebrek in de gesloten instellingen te verhelpen. Ik licht dat kort toe.

• In Achêne komt er een federaal gesloten centrum dat plaats zal bieden aan 120 jongeren uit de Franse en de Duitstalige Gemeenschap;

• Het federaal gesloten centrum in Everberg krijgt er 76 plaatsen bij, bovenop de huidige 50, wat het totaal daar op 126 brengt.  Everberg huisvest voorlopig Vlaamse, Waalse en af en toe ook Duitstalige jongeren. In het nieuwe scenario is Everberg een volledig Vlaamse inrichting.

• Daarbovenop komt het federale initiatief om op relatief korte termijn de gevangenis van Tongeren weer in gebruik te nemen, goed voor 34 plaatsen en in Saint-Hubert plaats te creëren voor 50 delinquenten. De werken in Tongeren en Saint-Hubert moeten rond zijn voor de zomer en van oktober af verwachten we er de eerste veroordeelden.

In totaal is er dus een capaciteitsuitbreiding met 280 eenheden tot een totaal van 330 tegenover de 50 plaatsen die nu beschikbaar zijn in het federaal centrum De Grubbe. Een werkgroep van vertegenwoordigers van de ministers zal de werkzaamheden en de ingebruikname van de verschillende federale centra opvolgen. De werkgroep zal tweemaal per jaar samenkomen om de toestand te evalueren.

Ook de bijkomende bepalingen met betrekking tot uithandengeving, opgenomen in de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965, maken bijkomende federale plaatsen onontbeerlijk. Eerder dit jaar werd de inwerkingtreding van deze wetten verschoven naar 2011, omdat tijdens de vorige legislatuur geen middelen werden vrijgemaakt om aan de bepalingen tegemoet te komen. Tijdens de parlementaire werkzaamheden eerder dit jaar heb ik evenwel benadrukt dat ik de inwerkingtreding van voormelde wetten niet onnodig zou uitstellen en het mijn intentie bleef om de nog resterende bepalingen het liefst nog in 2009 in werking wil laten treden.

Welnu, door de ingebruikname van de federale centra zullen een aantal artikelen van de jeugdwet nog in 2009 in voege kunnen treden in plaats van in 2011.

Is de capaciteitsuitbreiding die we nu op korte termijn gaan verwezenlijken nodig? Ik ben zeer overtuigd van wel. Pas als we in de strafuitvoering de ruimte hebben om vonnissen correct uit te voeren, kunnen we correct en geloofwaardig zijn. Pas dan kunnen we echt werk maken van alternatieven voor detentie en van aangepaste detentie. Wat zijn de cijfers? Het federaal gesloten centrum van Everberg moest in 2006 nog 140 jeugddelinquenten weigeren. In 2007 waren er dat 109. Op 21 oktober jl. beliep het aantal weigeringen 190 (59 voor Vlaamse landsgedeelte, 128 voor Franse landsgedeelte en 3 voor Duitse landsgedeelte). Voor 190 minderjarigen die volgens de rechter naar een gesloten inrichting moesten, was er geen plaats. Dit is een onhoudbare situatie. Vandaar een krachtdadig antwoord. Maar capaciteitsuitbreiding is, hoe broodnodig ook, maar een deel van de oplossing.

Om de jeugddelinquentie terug te dringen volstaat het niet cellen bij te maken. Voldoende capaciteit garanderen is zéker wat Justitie moét doen. Maar alvorens detentie aan de orde is, alvorens een minderjarige criminele feiten pleegt, is er al een heel verhaal geschreven. En in dàt verhaal is Justitie niet de enige betrokkene. Jeugdcriminaliteit begint met spijbelen en eindigt met zinloos, redeloos en soms gruwelijk geweld. Het begint in een verwaarloosde buurt. Het begint op straat, omdat er dan al geen plaats is ergens binnen. Het begint wanneer ouders het gezag over hun kinderen kwijtspelen en opgeven. Het begint met de afwezigheid van sociale controle. Het begint waar jongeren geen job vinden. Het begint waar de politie de controle over de straat verliest. Het eindigt met normvervaging, met nihilisme, met geweld om het geweld, als tijdverdrijf, als evidentie, als onbevraagd deel van het leven. Op dat moment heeft Justitie nog weinig antwoorden in huis die niét repressief zijn.

Omdat de problematiek van de jeugddelinquentie zeer vertakt is, beleggen we in maart van volgend jaar samen met de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid een tweedaags colloquium jeugddelinquentie. We willen dan de cijfers bespreken, analyseren, we willen diverse actoren uit het werkveld aan het woord laten, luisteren naar ouders, scholen, straathoekwerkers. We willen het hebben over de fenomenen die ons nu opvallen: almaar jongere daders, zinloos geweld, culturele diversiteit, veelplegers en minderjarigen met een psychiatrische problematiek.

We willen nagaan hoe we samen met de gemeenschappen naar wortel en tak kunnen gaan. In workshops, in openheid. Twee dagen is weinig. Het is ook veel. Het is de kans om een nieuw beleid te inspireren. Het is hopelijk de kracht van nieuwe gezamenlijke keuzes.

Ik duim voor een nieuw élan, voor een genuanceerd beleid, voor duidelijke en moedige keuzes. Federale regering én de gemeenschappen kunnen op het stuk van jeugddelinquentie het verschil maken. Laten we dat doen.


Jo Vandeurzen
Vice-eerste Minister en Minister van Justitie en Institutionele Hervormingen
3 november 2008.