Toespraak naar aanleiding van het actualiteitscongres CD&V

Print deze pagina

02/10/2008

Mevrouw de Voorzitter,
Geachte collega’s,
Militanten van de Vlaamse christendemocratie,


Ik ga u eerst iets verklappen… Als u enige nervositeit ontdekt bij wie nu het woord gaat nemen, is dat in de eerste plaats omdat, voor het congres begon, de voorzitter iedereen heeft opgedragen zijn blackberry af te geven. We hebben allemaal ons doosje buiten moeten laten en we zijn dus ongewapend.

Beste vrienden, er komen zo dadelijk twee mensen aan het woord die hun nek hebben uitgestoken en die de volgende maanden voor onze partij, voor Vlaanderen en voor België, geroepen zijn om een grote verantwoordelijkheid op te nemen. Ik kan proberen nu, mij even in uw plaats te stellen. Ik kan proberen na te gaan hoe u de gebeurtenissen van de afgelopen dagen hebt ervaren.

Ik denk dat heel wat militanten van deze partij, er niet goed van zijn. Ik denk dat veel mensen die hier zitten, zoals ik, jarenlang, misschien in het begin onwennig, later met overtuiging, opgekomen zijn voorhet kartel. Ik denk dat hier voorzitters aanwezig zijn van de lokale afdelingen die in het begin met enig trek- en duwwerk en later met overtuiging naar de gemeenteraadsverkiezingen en de provincieraadsverkiezingen zijn gegaan, lijsten hebben gemaakt en daarin vaak ook heel moeilijke dingen hebben moeten doen om het kartel waar te maken en te presenteren aan de kiezer in gemeente- en provincieraadsverkiezingen. In die periode heb ik heel wat afdelingen gezien in Vlaanderen en heb ik heel dikwijls voor mij héél loyale christendemocraten gezien die moesten overtuigd worden van het belang van het kartel, en die, eens ze overtuigd waren, mee hun nek hebben uitgestoken, ook ten opzichte van mensen die iets verwachtten van de lijstvorming, maar daarvan afstand moesten doen als gevolg van de kartelformule.

Ik heb heel wat collega-mandatarissen gezien de laatste jaren. De eerste jaren van de oppositie was er Stefaan De Clerck, het congres van Kortrijk, waar we voor het eerst durfden te spreken over het confederalisme. We hebben die eerste paarse periode oppositie gevoerd met collega’s in de Kamer en de Senaat, met Yves en met vele anderen. Uiteindelijk hebben we het kartel gesmeed dat ons in 2004 in de Vlaamse Regering heeft gehesen en waar Yves Leterme toen de leiding heeft kunnen nemen. Dingen waarvoor we, ook de laatste jaren nog in de federale oppositie, geknokt hebben en die we hebben aangeklaagd, vinden we nu op ons bord.  De begroting werd in de goede economische jaren niet structureel gesaneerd. Paars heeft niet bepaald meegewerkt aan de integratie in onze samenleving, integendeel: de snelbelgwet, justitie, drugs, … u weet dat allemaal zeer goed, dat zijn allemaal dingen geweest waarvoor we eigenlijk de tolk zijn geweest van de buik van Vlaanderen. Op al die vlakken hebben we gezegd dat het zo niet verder kon. Onze mensen zitten nu allemaal in de fracties, met het mandaat van de kiezer, een groot mandaat van de kiezer. En met dit mooie gegeven moeten we meemaken wat we de laatste week hebben meegemaakt.

Wij hebben het kartel gemaakt, Yves heeft het kartel gemaakt, vanuit de analyse destijds dat het de bedoeling van paars in ieder geval was, om door te besturen zonder de christendemocraten, als daar nog maar de minste mogelijkheid voor zou bestaan. Ik denk dat in die periode niemand van ons zich de illusie maakte dat, als we niet numeriek, door het keiharde getal in dat Vlaams Parlement, incontournable zouden worden, we ooit gevraagd zouden worden om deel uit te maken van een coalitie.

Paars wou door, ofschoon onze buik - en alles wat we voelden in Vlaanderen - heel duidelijk aangaf dat het absoluut niet de wens was van vele medeburgers. En daarom hebben wij een kartel gemaakt. Vanuit een wederzijdse berekening van hoe apart opkomen ons eigenlijk niet zou helpen om die doelstelling ‘mee besturen’ mee te realiseren.

Er was een kiesdrempel, er was de uitgesproken bedoeling van onze paarse collega’s. En we hadden iets gemeenschappelijk. De analyse die we nu eigenlijk nog altijd delen, dat in dit land een staatshervorming nodig is, dat we aan de mensen willen zeggen dat welvaart en welzijn op die manier verzekerd kunnen worden in een nieuwe, internationale, globariserende wereld.
Alle mogelijke organisaties in Vlaanderen hervormen, reorganiseren zich, passen zich aan de nieuwe uitdagingen aan. Wat naïef te denken dat dit niet zo moet voor staatsstructuren. En daar hebben we een andere finaliteit in, de N-VA en wij. Voor de N-VA is de staatshervorming een tussenstap naar het einde van België, voor de christendemocraten zijn structuren, staatsstructuren, eigenlijk maar middelen om mensen te dienen, om welzijn van mensen te dienen, om mensen weerbaar te maken en kansen op geluk te geven.

Om die ambitie om een staatsvorm te realiseren en omwille van de overtuiging dat we dat best samen deden om zo ook de kans te hebben de verantwoordelijkheden op te nemen, dààrom net hebben we dat kartel destijds gesmeed. En laten we eerlijk zijn, dat is in Vlaanderen een succes geweest en dat heeft ons de kans gegeven om te tonen wat wij als christendemocraten, als we kunnen besturen, in onze mars hebben. Het is een nieuwe bestuursstijl geworden in Vlaanderen: no nonsense, zicht op de toekomst, met een groter stuk zakelijkheid, maar ook een grotere verantwoordelijkheid voor het budget, met oog voor kwetsbare mensen, en de man die ooit de grijze boekhouder was, werd onmiddellijk gesmaakt en is de populairste politicus van het land geworden.

Beste mensen, en toen kwamen er lokale verkiezingen, en provinciale verkiezingen.
En omdat we met zijn allen goed beseften dat we ook federaal die verantwoordelijkheid over de besturen zouden moeten opnemen, vanuit een goed besef van wat daar eigenlijk aan de orde zou moeten zijn, hebben we dat kartel ook lokaal op een aantal plaatsen doorgezet. En laten we het nog een keertje heel duidelijk zeggen: héél veel waardering aan de mensen die dat toen ook ter plaatse hebben waargemaakt, en alsjeblieft, laten we…laten we in alle duidelijkheid stellen dat wij het woord dat we hebben gegeven, zullen respecteren, en dat wij loyaal en zeer correct zullen doen wat toen is afgesproken.

Toen kwamen de federale verkiezingen.  En wie op de avond van de federale verkiezingen de kiesuitslag zag, die wist meteen dat het kartel een eclatante overwinning had behaald, maar ook, dat de kaarten niet eenvoudig lagen. Er was al een partij die zei: “We doen niet meer mee”. Da was de SP.a. En we zagen meteen ook wat in Wallonië het nieuwe debat zou worden en dat is een debat, laat ons dat ook maar een keertje zeggen, dat ons voor vele momenten in de onderhandelingen voor moeilijkheden heeft geplaatst.

Collega’s, en wat wij vreesden, dat hebben wij ook in vele opzichten gevonden. Als wij de komende weken een budget zullen opmaken, dan doen wij dat met de erfenis van wat er is aangetroffen op het moment dat deze regering is gestart. En ik herinner me nog zeer goed die eerste begrotingsopmaak, toen Yves het voorrecht had, tussen aanhalingstekens, om even Minister van Begroting te zijn en toen ik “neen” moest zeggen telkens sommigen suggereerden dat we misschien nog eens gebouwen konden verkopen om de lopende uitgaven te dekken. Of toen ik moest pleiten om iets meer marge te hebben om openstaande facturen  tijdig te kunnen betalen, want zo hoort het toch voor een Federale Regering.

Overigens kon ik toen niet vermoeden dat ik enkele maanden later als Minister van Justitie ooit voor de camera zou moeten uitleggen waarom er geen wc-papier meer was in de Rechtbank van Brugge.  En dus zijn we aan de slag gegaan. Ook met het kartel. Ook in die lange onderhandelingen. En ik ben, eerlijk gezegd, goed geplaatst om u te kunnen bevestigen dat wij dat altijd in groot respect ten opzichte van de kartelpartner hebben gedaan. Vaak was dat niet eenvoudig. Vaak moesten onze collega-onderhandelaars van andere partijen mij zeggen: “Ja, Jo, wat is het mandaat? Waarover zijn we aan het spreken?” en dat ik, ja, eigenlijk op twee fronten het overleg moest organiseren; in het kartel en in de onderhandelingen onder leiding van de formateur, onder leiding van Yves.

Maar ik denk, en ik weet, dat ook Bart De Wever daarvan overtuigd is. Ik denk dat wij getoond hebben in heel die periode dat wij correcte partners in het kartel zijn en dat wij met respect over elkaar spreken. En ik zou dat, eerlijk gezegd, graag zo houden. Dat respect voor elkaar en de overtuiging dat we al die maanden, vaak heel intens, hebben onderhandeld, dat dat gebeurd is vanuit een gedreven, gemeenschappelijke overtuiging en dat we daar ten opzichte van elkaar ook heel correct in geweest zijn.

Maar ik wil ook niet ontkennen dat er ook inzichten zijn geweest die mij deden zeggen dat christendemocratie niet hetzelfde is als de N-VA en dat wij over een aantal thema’s niet helemaal hetzelfde dachten; dat inter-personele solidariteit voor christendemocraten wel één van de basics is; dat de staatsstructuur voor ons niet het alfa en het omega is, maar een doel moeten hebben. En dus hebben wij in die periode ook van elkaar geleerd waar we gelijken op elkaar, en waar we verschillen van elkaar. En we hebben nooit onder stoelen of banken gestoken dat het zo was.

In juli hebben wij onder impuls van Yves Leterme gezegd: “Dit kan zo niet verder.”. In het federale regeerakkoord staat geschreven dat er over een staatshervorming onderhandeld moet worden en dat staat daar nú nog altijd in. En wij hebben aan onze collega’s uit de andere partijen gezegd: “Beste collega’s, het kan niet ‘business as usual’ worden, want jullie vragen de uitvoering van dingen in dat regeerakkoord die voor júllie belangrijk zijn, wij vragen de uitvoering van dat regeerakkoord voor dingen die voor óns belangrijk zijn. En daar staat staatshervorming in hoofdletters bij.”.

Toen bleek dat we dit in een federale context tussen die partijen niet geregeld kregen, niet onderhandeld kregen, toen hebben we gezegd: “Kijk, we moeten onderhandelen op een fundamentelere manier, op een ondubbelzinnige manier, namelijk van gemeenschap tot gemeenschap. Het is niet langer het federale niveau, het zullen de nieuwe, de feitelijke basisstructuren van dit land zijn die met elkaar zullen afspreken en een staatshervorming zullen negotiëren.” En, collega’s uit het Federale Parlement, wij zullen ervoor moeten zorgen dat wij daarbij betrokken zijn en dat we ook, eens akkoorden gesloten zijn, in de mogelijkheid zijn om in het Federale Parlement, ook onze verantwoordelijkheid te nemen.

En wij, beste vrienden, wij, hét kartel, wij, wij hebben Kris Peeters op pad gestuurd. Toen hebben wij gezegd: we praten als kartel, van gemeenschap tot gemeenschap, onder leiding van de Minister-president van Vlaanderen. Voor Kris Peeters was dat geen godsgeschenk, en dat is dan nog een understatement. Kris Peeters heeft een Vlaamse Regering op één lijn moeten krijgen met een partij erbij die niet in de federale meerderheid zit, die niet wou meewerken aan onderhandelingen in die federale context en die nu met ons verantwoordelijkheid zal nemen om een akkoord te onderhandelen en daar ook voor in het Federale Parlement  verantwoordelijkheid wil nemen. Ook niet evident.

Maar wij hébben, beste vrienden, de Minister-president op pad gestuurd. En we hébben ervoor gezorgd, mét Yves, dat zijn onderhandelingen de volgende maanden niet besmet zouden worden door het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde. En dat wat de Franstaligen heel lang gevraagd hebben, die koppeling, dat die er niet zal zijn. Maar we hebben wel die Vlaamse Regering bewust uitgenodigd, geprovoceerd om de stap te zetten naar de onderhandelingstafel en ervoor te gaan.

Vorig weekend zijn jullie allemaal overdonderd, en vorige maandag overdonderd, door wat er gebeurd is. Laten we heel eerlijk zijn, en dat moeten we ook durven te zeggen: het kartel is niet beëindigd door de christendemocraten. Het kartel is zondag beëindigd door een congres van de N-VA dat het vertrouwen in de Regering-Leterme heeft opgezegd en dat ons de vraag heeft gesteld: “Volgt gij ons, of volgt gij ons niet?”. De dag erna heeft de N-VA ook gezegd dat ze niet naar de onderhandelingstafel wilden, omdat er geen beton onder de garanties zou zitten. Ons standpunt is in die weken, in dat weekend, in die dagen geweest: “Respect”. Het komt jullie toe om jullie analyse te maken en jullie conclusies te trekken. Maar ik verzet me fundamenteel tegen de perceptie dat het de christendemocraten zijn die zouden losgelaten hebben wat velen van jullie zo dierbaar is en was, het geloof in het succes van het kartel. Dat is, en dat zal de geschiedenis ook uitmaken, niet de realiteit der dingen; het was volgen, of het was dat niét doen. En dat, beste mensen, is geen platvorm waarop je een kartel, een samenwerking kunt blijven baseren.

En, nu spreek ik, en daar ga ik mee eindigen, als militant en ik weet zeer goed wat dat betekent. Dit is een moment van parler vrai voor deze partij, dat is heel simpel. Ik ben wel eens vergeleken met een lavabo, maar het voordeel van een lavabo is dat hij je vaak ook met eenspiegel confronteert. En dit is een moment, beste vrienden, dat u allemaal, zoals ik, in de spiegel zult moeten kijken en zult moeten bekijken  wat de christendemocratie in dit jaar, in 2008, met de economische situatie die ons boven het hoofd hangt, met een verkiezing binnen enkele maanden, wat christendemocratie betekent. En ik zeg u zeer eerlijk: ik kies niet voor een partij van het ‘non’. Ik kies niet voor een partij die alleen fier kan zijn, enthousiast kan zijn, opgelucht kan zijn als ze weer eens ‘neen’ gezegd hebben. Ik denk dat onze partij die staatshervorming werkelijk met alle middelen wil en daar ook alles voor zal doen.

Maar die staatshervorming, die is geen hervorming voor de herviorming.  Ik zou graag lid blijven van een partij die spreekt over het gezin, over de belangrijke functie van het middenveld, over de strijd tegen de kansarmoede, over de welvaartsvastheid van uitkeringen, over de concurrentiekracht van onze bedrijven in een globaliserende wereld, over een geloofwaardigere justitie, over een nationaliteitswetgeving die mensen aanmoedigt om te integreren. Ook dat, mensen, is christendemocratie.

En aan de jongeren, die hier in de goede tradities van onze jongerenorganisatie ook een punt maken, moet ik eerlijk zeggen dat ik veel van hun bekommernissen begrijp. Misschien zal binnen enkele maanden blijken dat alles we opnieuw moeten nadenken over wat we geprobeerd hebben. Maar ik huiver van een situatie waarin mijn generatie op een onverantwoorde manier dit land de chaos zou inrijden. En zeg nu eerlijk, als we de kranten zien, dan zijn we niet aan het spreken over een soort akkefietje of een trucje van de partijleiding om ons allemaal in de Raison d’État te brengen. Wie dat nog denkt, eerlijk gezegd, die moet toch maar eens beter naar de media luisteren en kijken. Wat ik niet ga doen, is ervoor zorgen, of meewerken, aan een keuze die ertoe leidt dat we binnen enkele maanden verbaasd achterom kijken om te zeggen: “We hebben voor een nieuwe generatie een pak problemen gecreëerd en een pak uitdagingen weer weggeschoven, en anderen na ons zullen het weer mogen oplossen.”.
Dat gaan we niet doen, beste mensen…

Beste mensen, dat gaan we niet doen, dat ga ik in ieder geval niet doen en dus zegt deze militant, met alle vrees in het hart voor wat gaat gebeuren, met alle onzekerheid die daarbij hoort: “Ik vind dat we de kans om te onderhandelen moeten nemen, ik vind dat we dat eendrachtig moeten doen, en ik denk dat in die eendracht en een beetje in de uitzuivering van sommige van onze idealen de volgende maanden dat in die eendracht wel zullen zien dat we een fantastische partij hebben, dat we veel militanten hebben en dat er het geloof is in het succes dat begint bij onszelf.”

Bedankt.